Deels is psychosociale zorg voor patiënten met COVID-19 reguliere zorg. Toch maakt corona wel degelijk verschil, zeggen geestelijk begeleider Jesse Gruiters en maatschappelijk werker Steven van Essen. “Vanaf het begin vertelden artsen en verpleegkundigen dat patiënten het mentaal erg zwaar hebben. En hun geliefden ook.”

Het is een beeld dat hem bijblijft: op het parkeerterrein zwaait een vrouw naar een patiënt met corona achter het raam. De patiënt achter het raam wil geen bezoek omdat hij kwetsbare familieleden heeft. Zijn vrouw staat buiten te zwaaien, zodat ze toch een glimp van elkaar kunnen opvangen. “Hoe eenzaam is dat”, verzucht geestelijk begeleider Jesse. “Wat zijn dán gebaren die kracht geven?”

Ook afscheid nemen van stervende patiënten verloopt anders dan anders. “Familie draagt beschermende kleding. Ze mogen niet knuffelen, niet kussen, elkaar niet aanraken. Alleen met handschoenen, maar dat is geen huid-op-huidcontact, dat is zó klinisch. Partners vragen onzeker wat ze wel en niet mogen. Het is belangrijk om samen te zoeken naar wat wel mogelijk is en troost geeft.”

Contactcrisis

“De coronacrisis is óók een contactcrisis”, duidt maatschappelijk werker Steven. En patiënten met COVID-19 hebben het mentaal al zo zwaar. “Zeker een ic-opname kan traumatisch zijn. Patiënten zijn vaak overgeplaatst, bijvoorbeeld uit Brabant. Ze zijn in Tilburg in slaap gebracht en worden weken later in Utrecht wakker. Die tijd zijn ze kwijt, dat is een zwart gat. Wanneer een arts dan vertelt dat het hele land in lock down is, komt dat vaak als een schok, zoals hun hele situatie shockerend is.”

Jesse: “Veel patiënten hebben angstige dromen en voelen zich onrustig, emotioneel. Ze zijn bang dat ze hun verstand verliezen. Ze dromen dat ze achtervolgd worden of dat ze door het virus worden aangevallen en opgegeten. Ze schamen zich, vragen zich af of dit normaal is.”

Steven: “Sommigen zijn juist helemaal helder en zien wat er om hen heen gebeurt.  Onherkenbare mensen in klinische pakken, die bedden de kamer in en uit rijden. Gesprekken tussen artsen en patiënten, die huilen. Dat is soms verwarrend en vervreemdend.”

Psychosociale zorg

Jesse en Steven maken deel uit van het psychosociale team in het UMC Utrecht waarin zestig collega’s uit diverse disciplines samenwerken: maatschappelijk werkers, geestelijk begeleiders, psychologen, psychiatrisch verpleegkundigen, consulenten van het palliatieteam, bedrijfscounselors en andere therapeuten. Samen bieden zij psychosociale zorg voor patiënten en hun familie, maar ook voor artsen en verpleegkundigen.

Jesse en Steven zijn vanaf het begin betrokken bij de psychosociale zorg voor patiënten met corona op afdeling D2 west. Veel doen de verpleegkundigen en artsen zelf, benadrukken ze, zij ‘vullen aan’. Steven: “Als een patiënt somber, angstig of verdrietig is, vraagt de verpleging ons vaak. Ik sprak een keer een patiënte op de ic, die met elke ademteug moest knokken om te overleven. Toch was haar grootste verdriet dat haar man en zoon niet op bezoek konden komen. En ze maakte zich ook grote zorgen over haar zoon, die met zijn bedrijf in financiële moeilijkheden zat vanwege het coronavirus.”

Kleine gebaren van medemenselijkheid

Jesse: “Nog meer dan anders merken we hoe belangrijk het is om je open te stellen voor patiënten, aandachtig te luisteren en ‘present te zijn’, zoals wij dat noemen. Als het leven zo kwetsbaar wordt, zijn kleine gebaren van medemenselijkheid essentieel. Luisteren naar herinneringen of het doorgeven van een boodschap aan een geliefde. Of mensen die angstige dromen hebben, geruststellen. Vertellen dat ze niet gek zijn, dat ze heel ziek zijn geweest en dat hun verwarring een normale reactie op een abnormale situatie is.”

Steven: “Of patiënten die lang in slaap gehouden zijn, helpen de gaten in hun herinnering te dichten. Bijvoorbeeld door het dagboek te gebruiken dat familieleden op de ic krijgen om een tijdlijn voor de patiënt te kunnen maken. En wat doe je met een stel op de afdeling dat COVID-19 heeft? We hadden een meneer van tachtig en een mevrouw van zestig. Hij knapte relatief snel op, zij ging achteruit en moest naar de ic. Ze konden nog net even een hand optillen en weg was ze. We hebben toen iPads geregeld: eentje voor op de ic en eentje voor op de afdeling. Zij kon niet praten, maar ze konden elkaar wel zien.”

Nazorg

De iPads kwamen van de directie IT van het UMC Utrecht. “Je ziet dat iedereen in het ziekenhuis in tijden als deze een extra stap zet”, vertelt Steven. “Een mooi voorbeeld hiervan is dat de artsen van de afdeling Genetica de intensivisten op de ic ondersteunen met het bellen van familieleden om hen op de hoogte te houden. Belangrijk werk, want het thuisfront wordt heen en weer geslingerd tussen vertrouwen houden op herstel en zich voorbereiden op een mogelijk afscheid. Een initiatief als dit geeft ook de mensen thuis de aandacht die zij verdienen.”

En hij vervolgt: “Ik hoop dat we hier aandacht voor blijven houden en patiënten na ontslag van de ic niet uit het oog verliezen. Dat we hen in samenwerking met huisartsen blijven volgen en weer op weg helpen. Hoe gaat het thuis? Verdwijnen de angsten of niet? Nazorg is belangrijk, zowel voor patiënten als voor hun naasten, aandacht voor hun herstel na deze stressvolle en traumatiserende periode.”
 

Lees meer verhalen