Zorgpad Primair vitreoretinaal grootcellig B-cellymfoom
In het UMC Utrecht worden patiënten behandeld met primair vitreoretinaal grootcellig B-cellymfoom.
Dit is een zeldzame vorm van lymfoom in het oog. De aandoening werd eerder ook wel primair intraoculair lymfoom genoemd. Het ziektebeeld lijkt vaak op een oogontsteking (uveitis), maar vraagt om andere diagnostiek en behandeling.
De zorg vindt plaats binnen een gespecialiseerd team met ervaring in deze aandoening.
Dit zorgpad beschrijft wat kan worden verwacht bij onderzoek en behandeling.
1) Eerste contact/Verwijzing
Verwijzing vindt meestal plaats via een oogarts uit een ander ziekenhuis. Soms via een huisarts of een ander specialisme.
Er kan sprake zijn van:
- Een reguliere verwijzing voor diagnostiek of medebeoordeling
- Een spoedverwijzing, bijvoorbeeld bij snelle verslechtering of een complexe situatie
Na ontvangst van de verwijzing beoordeelt een oogarts met expertise in uveitis de gegevens (triage). Daarbij wordt bepaald:
- Hoe snel een afspraak nodig is
- Bij welke specialist het consult plaatsvindt
Er wordt een hoofdbehandelaar toegewezen.
2) Eerste afspraak
Voorbereiding op de eerste afspraak
Voor het eerste bezoek:
- wordt de medische informatie van de verwijzend arts beoordeeld
- kunnen aanvullende gegevens worden opgevraagd
- worden zo nodig al onderzoeken ingepland
Tijdens het eerste consult:
- wordt een uitgebreid gesprek gevoerd over klachten en gezondheid
- vindt oogheelkundig onderzoek plaats
- wordt gekeken naar mogelijke oorzaken van de klachten
Vaak wordt ook aanvullende diagnostiek besproken of direct gestart.
3) Onderzoek en diagnose
Om de diagnose te stellen is uitgebreid onderzoek nodig.
Dit kan bestaan uit:
- OCT-scan (beeldvorming van het netvlies)
- Fundusonderzoek (onderzoek van het netvlies)
- Fluorescentie-angiografie (FAG) of ICG-angiografie
- Beeldvorming van beide ogen
Zo nodig wordt aanvullend onderzoek verricht, zoals:
- Bloedonderzoek en een longfoto
- Onderzoek van oogvocht (punctie)
- Diagnostische vitrectomie (glasvochtonderzoek)
- In sommige gevallen een netvliesbiopt
Omdat deze aandoening ook samen kan gaan met ziekte buiten het oog, wordt vaak aanvullend onderzoek gedaan door:
- Een neuroloog (bijvoorbeeld MRI van de hersenen en onderzoek van hersenvocht)
- Een hematoloog (onderzoek naar betrokkenheid elders in het lichaam)
Zo nodig wordt de situatie besproken in een multidisciplinair overleg (MDO).
4) Uitslagen onderzoeken
De uitslagen worden besproken tijdens een afspraak met de hoofdbehandelaar.
De uitkomst kan zijn:
- Bevestiging van primair vitreoretinaal grootcellig B-cellymfoom
- Een sterke verdenking
- Geen aanwijzingen voor deze aandoening
Na de diagnose:
- wordt uitleg gegeven
- wordt een behandelplan opgesteld
- wordt de verwijzend arts geïnformeerd
5) Behandelfase
Persoonlijk behandelplan
De behandeling wordt afgestemd op de persoonlijke situatie.
Mogelijke behandelingen zijn:
- Injecties in het oog (intravitreale therapie)
- Radiotherapie van het oog
- Systemische behandeling (bij ziekte buiten het oog)
- Ondersteunende behandeling
Behandeling met injecties
De meest gebruikte behandeling bestaat uit injecties in het oog.
- Hierbij worden medicijnen zoals methotrexaat of rituximab toegediend
- De behandeling verloopt volgens een vast schema
- Het traject duurt meestal enkele maanden
Tijdens de behandeling vinden regelmatige controles plaats om het effect te beoordelen.
Radiotherapie
Radiotherapie kan worden ingezet als injecties niet mogelijk of onvoldoende effectief zijn.
- Het oog wordt in meerdere sessies bestraald
- Het gaat meestal om een eenmalig behandeltraject
Mogelijke bijwerkingen worden vooraf besproken.
Multidisciplinaire zorg
De behandeling vindt plaats binnen een gespecialiseerd team, waaronder:
- Oogartsen (uveitisspecialisten)
- Neurologen
- Hematologen
- Radiotherapeuten
Zo nodig wordt de situatie besproken in een multidisciplinair overleg (MDO).
6) Herstel en nazorgfase
Controles
Na de behandeling volgen controles.
Tijdens deze controles wordt gekeken naar:
- Het effect van de behandeling
- Eventuele bijwerkingen
- Tekenen van terugkeer van de ziekte
Als de ziekte onder controle is, vinden controles meestal elke 3 tot 6 maanden plaats.
Terugkeer van de ziekte (recidief)
Als de ziekte terugkomt:
- wordt opnieuw onderzoek gedaan
- kan behandeling opnieuw gestart worden (bijvoorbeeld injecties of radiotherapie)
Samenwerking en aanvullende zorg
Soms is aanvullende zorg nodig, bijvoorbeeld:
- Behandeling door andere specialisten
- Begeleiding bij slechtziendheid (bijvoorbeeld via gespecialiseerde instellingen)
- Zorg in een ander zorgpad bij betrokkenheid van het centrale zenuwstelsel